Chang doet een taalcursus.
Hij leest een e-mail van een medecursist.
Lees eerst de vraag.
Lees daarna de tekst.
Hoi Chang,
Ik mail je, omdat wij maandag onze presentatie over een Nederlandse stad moeten geven. Eliza en Jamil doen hun presentatie donderdag over Utrecht. En de presentatie van gisteren ging over Haarlem. Welke stad kiezen wij? Zullen wij iets over Groningen vertellen? Ik heb daar een jaar gewoond, het is echt een leuke stad.
Ik heb al een paar foto’s van mooie plekken gevonden. Kun jij dan iets zoeken over de geschiedenis van de stad? Dat vind jij niet erg, toch? We moeten ook iets vertellen over de winkels en restaurants. Daarover zoeken we dan wel samen informatie.
Zullen we nog een keer afspreken? Dan kunnen we de presentatie oefenen. Ik kan woensdag wel, bij mij thuis. Donderdag kan het niet bij mij. Mijn man heeft dan bezoek. We kunnen wel na de les in de mediatheek zitten. Vrijdag moet ik werken, dus dan kan ik helemaal niet.
Laat je me weten wanneer jij kunt? Bedankt!
Groetjes,
Sasha